We waren met een bont gezelschap: familie, vrienden, verschillende generaties, één gemeenschappelijk doel. En dat doel hadden we al vrij snel scherp: een goede pint, een whiskey of twee, veel wandelen en nog meer lachen. En Dublin? Dat deed precies wat het moest doen.
Maandag (D1): De eerste Guinness laten smaken
We landden rond de middag op Dublin airport en namen meteen de AirPort Express naar het centrum – de bushalte lag letterlijk om de hoek van ons hotel, perfect! Bagage droppen want de kamers waren nog niet klaar. Dus waarom wachten? Eerste Guinness it is. Via Temple Bar naar The Stag’s Head. Een klassieke Ierse pub pur sang waar ze ook lunch serveren. Ik ging voor de ‘special of the day’ een corned beef sandwich, zo lokaal als het maar kan. Rudy en ik scoorden matching T-shirts, check!
Whiskey proeven bij Teeling
Daarna een digestieve wandeling naar de Teeling Whiskey Distillery, waar we een bezoek geboekt hadden. Teelling is de oudste distillery in Dublin. Die familie begon opnieuw in de jaren ’80 toen alle stokerijen begin vorige eeuw sloten. Wist je dat Ierse whiskey 3x gedistilleerd moet worden?
Whiskey maken in drie stappen
- Je brouwt bier. Een simpel biertje zonder te veel smaak.
- Je distilleert dat bier. Voor echte verfijnde Ierse whiskey, drie keer.
- Je laat het brouwsel rijpen op vaten. Liest vaten met een smaakje (rum, cherry, …) en hopla!
Hun drie pot stills zijn naar de dochters genoemd: Rebecca, Natalie en de naam van de derde dochter ben ik vergeten. De rondleiding eindigde met een… tasting! We mochten hun ‘small batch’ proeven en een verfrissende cocktail die ik meteen Christmas in the Summer doopte. Aan de bar dronken we elk nog een andere heerlijke whiskey cocktail. De sfeer zat er al direct in. En Liesbeth op minder dan een halve dag al mee geïntegreerd.
Weetje van de dag: Ierse whiskey MOET 3x gedistilleerd zijn, anders mag je hem niet Iers noemen.
Teeling Whiskey Distillery
Ierland leren kennen door alledaagse objecten
We hebben vlak voor sluitingsuur nog een rondleiding bij The Little Museum of Dublin. Dit museum heeft als doel de “sociale en culturele geschiedenis van Dublin te presenteren aan de hand van alledaagse voorwerpen die door de locals werden geschonken”. Voor een Storyteller als ik, is dit een goudmijn. Het museum heeft verschillende kamers verdeeld over enkele verdiepingen die elk op zicht een verhaal waard zijn. Onze gids Lisa pikte er enkele objecten uit en vertelde met een kwinkslag hun belang in het leven van de Ieren. Ik begroette er de iconische Miss Brown (if you know you know) en keek mijn ogen uit in de U2 kamer. Elke gids heeft andere verhalen, afhanekelijk van hun persoonlijke interesses en voorkeuren. Wat een bezoek altijd een beetje verrassend maakt. Vooral als Lisa de rondleiding al zingend afsloot. Ben je geen fan van musea? Dan is dit museum iets voor jou!
Een goed gevulde maandag afronden
Alles wat we voor onze eerste (halve) dag gepland hadden, hebben we nu gehad. The Little Museum of Dublin ligt aan Stephen’s Green en ik wist toevallig nog op puur visuele orientatie te stappen naar een whiskey shop om het hoekje met een uitgebreid aanbod: The Celtic Whiskey Shop. Hier vond ik letterlijk een fles whiskey met mijn naam op. Die kon ik niet laten liggen, hé! Via de winkelstraat wandelden we terug naar ons hotel waar we konden inchecken. Maar geen tijd om wat uit te rusten op onze (te) warme kamer. Effe opfrissen en tijd voor dinner bij The Woolen Mills tegenover Ha’penny Bridge. Catherine en ik waren hier vorige keer geweest en we hadden er goede herinneringen aan. Liesbeth en ik deelden Pork Belly en Spicy Chicken Wings wat meer dan voldoende was voor ons. Na het eten trok iedereen naar bed, behalve Ruben en ik. Wij doken nog even het nachtleven in voor wat live muziek in Temple Bar. Dag 1: geslaagd!
Dinsdag (D2): Howth, waar de wind harder blaast dan de muziek in Temple Bar
Na een stevig ontbijt bij Lemon Jelly Cafe — en met stevig bedoel ik: zoveel volk dat de wachtrij al begon voor we onze koffie konden bestellen — sprongen we met volle maag op de trein richting Howth. Dublin schoof langzaam weg en maakte plaats voor zee, mistige lucht en dat typische grijze Ierse licht dat alles tegelijk somber en prachtig maakt. Bij aankomst voelde Howth als een dorp dat net wakker werd: vissersboten die zacht tegen de kade tikten, meeuwen die luid hun ochtendvergadering hielden, en een lichte ziltigheid in de lucht die meteen in je neus kroop.
We wandelden via de ruïne van St. Mary’s Church, half verscholen op een heuvel, met uitzicht over de haven dat zelfs de meest kritische postkaartmaker jaloers zou maken. Tussen de oude graven, scheefgezakt en bedekt met mos, keek je recht uit over de haven: schepen als miniatuurbootjes, de pier als een dun lijntje in het water. Het was zo’n uitzicht waar je vanzelf wat trager gaat ademen, even blijft staan, misschien een foto neemt en dan toch nog een keer omkijkt omdat één foto niet genoeg is. Ik kon het niet laten om in een piepklein winkeltje een potje mint jelly te kopen. Hetzelfde merk dat ik twee jaar geleden ook al kocht en dat me zo goed smaakte dat ik het niet kon laten staan.
De wandeling op de East Pier was een les in doorzettingsvermogen. Windkracht “gratis peeling”, maar gelukkig wachtte aan het einde van de wandeling een stomende Irish coffee als beloning. Terwijl ik mijn bevroren handen liet ontdooien, trokken Catherine en Liesbeth nog dapper verder op de cliff walk. Hun moed verdient officieel een vermelding op Tripadvisor.
Voor een late lunch trokken we naar de West Pier, waar de geur van gebakken vis en knoflook je nog voor de deur van The Oar House omart. Binnen hing de gezellige drukte van een plek waar iedereen nét iets te luid praat en de borden nét iets te gul gevuld zijn. We bestelden een tafel vol seafood tapas om te delen: mosselen in witte wijn en room, met een vleugje pastis en scampi, pikante garnalen die licht in de mond prikten, en dan mijn persoonlijke hoogtepunt: inktvis met chorizo en tomaatjes, perfect gebakken en vol smaak. Elk bordje werd vergezeld door geroosterd zuurdesembrood, ideaal om de laatste restjes saus bij elkaar te vegen – eten met mes en vork werd al snel een bijzaak. Alsof dat allemaal nog niet genoeg was, lieten we ons verleiden door een cheesecake met Baileys (de laatste 3 porties die er nog water), romig en zwaar, precies het soort dessert dat je achteraf doet zuchten “oké, ik ben officieel vol”. Vanaf dat moment stond “avondeten” niet langer op de planning.
Terug in Dublin volgde nog een shop-sprint bij TK Maxx en Pennies, een soort olympische discipline op zich. We sloten de dag af in Temple Bar, waar de muziek altijd net iets harder speelt dan je stem, en waar de vloer licht plakt van alle verhalen. Een live band, een pint in de hand, mensen die meezingen met nummers die ze al honderd keer gehoord hebben – het soort avond dat geen grote climax nodig heeft om perfect te zijn. Net voor middernacht stapten we naar buiten met moegewandelde benen. Morgen vroeg op, want dan doen we een daguitstap naar Belfast, Noord-Ierland. Dat heb ik in een andere post neergepend en kan je lezen via onderstaande link.
Donderdag (D4): Whiskey, folklore en ghosts
De vierde dag in Dublin begon met een splitsing van de groep: Catherine en Liesbeth trokken richting kasteel voor een portie geschiedenis, torens en waarschijnlijk ook een paar dramatische uitzichten. Wij kozen voor een ander soort erfgoed: Jameson. Prioriteiten moeten er zijn. Geen rondleiding hier, maar we bezoeken wel de shop en in de prachtige open bar laten we ons wel verleiden voor een dankje (met Jameson whiskey, natuurlijk).
Daarna trokken Ruben en ik naar het Leprechaun Museum, een plet vol Ierse folklore, kabouters, verloren potten goud en een paar verhalen waar je beter niet in zou geloven – maar toch graag hoort. In de shop kriebelde het om een halve bibliotheek aan boeken mee naar huis te nemen – van sprookjesbundels tot illustraties vol groene heuvels en mist. Volgende keer gaan we ’s avonds voor de Darkland (Adults only) verhalen.
Later herenigden we ons in The Brazen Head, een van de oudste pubs van Dublin, met houten balken die al eeuwen luisteren zonder ooit iets door te geven. Een pint op tafel, verhalen over kastelen, whiskey en leprechauns, en daar zat Dublin ineens in één kamer: oude muren, moderne stemmen en een beetje gezellige chaos.
De rest van de middag brachten we wandelend door de stad, van St. Audeon’s Park via Christ Church en St. John’s naar Stephen’s Green en de omringende winkelstraten. Even voor het al te druk werd, doken we een pub in de buurt van Molly Malone voor een vroeg diner – stevige pubkost, een pint, en de geruststelling dat de avond nog niet gevuld was. Want die avond ging volledig over spookverhalen: de Gravedigger busrit. Aan boord hoorde je over pest, gevangenissen, massagraven en hardnekkige mythen. De rit eindigde bij Glasnevin Cemetery, een uitgestrekte, donkere zee van graven en monumenten. Aan het gesloten hek bleven we nog even hangen, met een glas whiskey of Guinness in de hand.
Terug in het centrum trokken we nog één keer naar Temple Bar, waar de stad zichzelf weer als vrolijke dronkaard voordoet. Liesbeth bestelde een Baby Guinness – dat schattig klinkende shotje met koffielikeur en Baileys – en de muziek in de pub zorgde dat de avond zichzelf nog even vergat. Rode gezichten, luid gelach, en de zachte constatering dat Dublin elke dag twee kanten toont: een vrolijke en een donkere, allebei met een verhaal.
Vrijdag (D5): Dublin afscheid: bibliotheek, tattoo en rabarberijs
Onze laatste dag in Dublin begon bij Peaches, waar ik mezelf trakteerde op een Chai Latte én pancakes met spek en ahornsiroop. Samen met Liesbeth en Catherine ging ik naar de Marsh’s Library, een van die plekken die je bijna voorbijloopt als je niet weet waar je naar zoekt. Klein, houten, vol boeken die er niet om hebben gevraagd om eeuwig te leven in die donkere kasten. De ruimte voelt zachter, huiselijker dan Trinity’s Long Room – minder pompeus, meer vertrouwd. Tussen de boeken gingen we als kinderen op Lego‑zoektocht, alsof een klein blokje per ongeluk in een oude encyclopedie was verweven. De regen duwde me een tatoeage‑shop binnen en een uurtje later kwam ik met een klein stukje permanent Ierland op mijn arm naar buiten. Niet zomaar een tekening, maar een herinnering die je niet kunt wegvagen zoals reisherinneringen.
De zon nam even de regen over en ik vond dat ik een beloning verdiend had. Bij Murphy’s Ice Cream trakteerde ik mezelf op een bolletje rabarberijs, de smaak van zomer, zelfs zonder zon. De rest van mijn route was een wandeling langs herinneringen. Bij Trinity College stond ik weer voor de plek waar Catherine en ik twee jaar geleden sliepen. De muren leken me nog steeds te herkennen – onze voetstappen, onze lach. Ik trof iedereen terug aan bij het Whiskey Museum waar de anderen hadden geschuild tegen de regen. Er zijn slechtere plekken voor een aperitief, toch?!
The Bank op College Green stond al op ons To‑Do‑lijstje, dus het was nu of nooit. De voormalige bank is nu een stijlvolle, hippe plek, en halverwege de middag was er nog maar één plek vrij: aan de bar. Perfect voor een laatste Guinness, als rituele punt achter de reis.
Een laatste stop bij het hotel om de bagage te pakken, en dan de taxi naar het vliegveld. Dublin gleed voorbij langs het raam tot het langzaam in de achteruitkijkspiegel verdween. De late vlucht was ideaal: net genoeg tijd om nog wat foto’s te checken en te beseffen dat een reis pas echt eindigt als je er thuis goed over kan vertellen.
Dankje Catherine voor de topgids-begeleiding! Ierland is een miskende parel om met familie en vrienden te doen.





































































































































































